In het begin van het rapport ‘citeert’ u, dat kinderen bij mij best veel mogen. Desondanks ben ik wel duidelijk en heb ik mijn grenzen. Dat gaf ik ook aan met het voorbeeld van aan tafel blijven zitten. De beschrijving in het rapport geeft me het gevoel dat mijn antwoorden niet goed genoeg waren en ‘bewijsmateriaal’ is gezocht om dit aan te tonen dat ik ‘makkelijk’ ben. Dat vind ik niet terecht, vooral doordat u de pedagogische praktijk beoordeelt op basis van een aantal momentopnamen en situaties, geen enkele keer hebt doorgevraagd naar het waarom van mijn antwoorden of handelen, maar hier wel een oordeel met handhaving aan hebt gehangen.
Als eerste beschrijft u de situatie in de box van mijn eigen kind. De toedracht van deze situatie is niet in het rapport vermeld, maar is denk ik wel heel belangrijk om te benoemen. U wilde boven kijken en dat heb ik toegestaan. Ook al zijn we niet in zijn kamertje geweest, toch werd mijn zoontje dat lag te slapen, wakker van uw bezoek. Om die reden heb ik hem uit bed gehaald en meegenomen naar beneden. Ondertussen vroeg u naar mijn EHBO-certificaat en diploma. Die wilde ik u beiden digitaal laten zien, maar dat vond u niet voldoende. U wilde de originelen zien. Daarom heb ik toen mijn zoontje met zijn slaapzakje nog aan in de box gelegd. Hij begon inderdaad te huilen, maar ik was voor u op zoek naar mijn papieren documenten. Nu was het mijn eigen kind, vandaar dat ik ervoor heb gekozen hem even te laten wachten. Een van de andere kinderen klom inderdaad in de box. Ik heb wel degelijk gezien dat dit gebeurde. Ik heb niet ingegrepen, omdat de manier waarop het kind in de box klom en mijn zoontje ging troosten geen onveilige situatie gaf en ik voor u bezig was. De manier waarop u het gebeuren beschrijft, geeft echter een totaal ander beeld. Het betrof mijn eigen kind waar ik zielsveel van hou, u begrijpt dat ik ook bij mijn eigen kind zeker oplet of er een gevaarlijke situatie kan ontstaan. Hoewel het niet handig en zeker niet gebruikelijk is bij mij dat een kind in de box klimt of speelgoed in de box legt, heb ik het meisje even laten gaan, nogmaals, mede doordat ik voor u aan het zoeken was naar documenten die ik digitaal al aan u had laten zien.
Ook benoemt u het jongetje met de speelgoedautosleutel dat steeds op het knopje drukt voor het geluidje. U geeft aan dat ik tegen hem zeg dat hij altijd baldadig wordt als hij teveel aandacht krijgt. Ik heb dit NIET gezegd. Er was op dat moment zeker geen sprake van dat ik hem teveel aandacht gaf, ik was immers voor u bezig! Ik legde richting u uit dat het kind baldadig gedrag vertoonde door de onverwachte situatie. U zat echter te typen achter uw laptop en heeft blijkbaar niet opgemerkt dat ik tegen ú sprak in plaats van tegen het kind.
Daarnaast vermeldt u in het rapport het kind dat wil kleien. Dit jongetje had die dag al een aantal malen gevraagd wanneer we gingen kleien, waarbij ik had aangegeven dat we dit na het slaapje van de kleintjes zouden doen. Toen hij dit weer vroeg op het moment van het bezoek, heb ik dat niet opnieuw uitgelegd. Als u ernaar had gevraagd, had ik dit kunnen toelichten. U heeft echter geen enkele vraag hierover gesteld, maar wel een eigen invulling hieraan gegeven. Er worden in het rapport nog een aantal voorbeelden genoemd. U heeft aan mij over geen van deze voorbeelden een vraag gesteld, deze ook niet met mij besproken. De ‘geciteerde antwoorden’, zijn naar mijn beleving op een zodanige manier neergezet, dat ze in het rapport een negatieve lading krijgen die ik er niet in heb gelegd.
Ik ben ervan overtuigd dat wanneer u over bovenstaande punten in gesprek was gegaan, het rapport er anders had uitgezien én ik een heel andere verwachting had gehad van de inhoud. Het kan niet zijn dat een gastouder wordt verrast door de inhoud van het rapport. Zowel positief als negatief moeten zijn besproken tijdens het inspectiebezoek om een eerlijk beeld van de opvangsituatie te kunnen geven. Ik heb nu een beoordeling ontvangen die volgens mij geen recht doet aan mijn opvangpraktijk.