De volgende tekst beschrijft de weloverwogen en pedagogische redenen waarom de “Kindergarten” van de DISDH (Deutsche Internationale Schule) heeft gekozen voor een open deuren beleid (zie ook beleid punt 3.5). Zoals beschreven in het beleid, is het open deuren beleid niet gebaseerd op groepsruimten, maar op functionele ruimten. Dit betekent dat elke ruimte zijn eigen functie vervult en dat de ontwikkelingsgebieden van de kinderen er ook te vinden zijn. De ruimtes zijn ingericht met een pedagogisch doel voor ogen. We hebben verschillende functionele ruimtes in de “Kindergarten” om de individuele pedagogische doelen te dekken: bouwruimte, rollenspelruimte, creatief- en knutselruimte, lees- en ontspanningsruimte, bewegingsruimte, buitenspeelruimte. In de bouwruimte ligt de nadruk bijvoorbeeld op het bouwen van gebouwen en experimenteren om de wetten van de natuurkunde te leren kennen. Als kinderen alleen maar in twee ruimtes tijd mogen doorbrengen, betekent dit dat ze zich niet volledig kunnen ontwikkelen. Een open deuren beleid vereist dat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen voelen. Naar onze mening wordt dit bereikt door een zacht en soepel inwenningsproces, waar wij veel waarde aan hechten. Daarom is ons inwenningsmodel gebaseerd op het inwenningsmodel van Berlijn (“Berliner Eingewöhnungsmodell”). Dit model en hoe we het implementeren, wordt in detail beschreven in de volgende paragraaf. Het “Berliner Eingewöhnungsmodell” volgens Infans (Laewen, Andres & Hedevari 2003) is gebaseerd op de gehechtheidstheorie van John Bowlby. De basis van het model is de beschouwing van de gehechtheid van het kind aan zijn gehechtheidsfiguur (ouders) en de verschillende kwaliteiten van gehechtheid. Het “Berliner Eingewöhnungsmodell” duurt in de regel één tot drie weken voordat een kind gewend is. Een onderzoeksproject aan de Vrije Universiteit van Berlijn toonde duidelijk het belang aan van ouderlijke betrokkenheid bij het inwenningsproces van hun kinderen (“Berliner Eingewöhnungsmodell”). Kinderen die weinig of geen steun van hun ouders kregen bij het wennen, vertoonden een drastisch verhoogd ziekteverzuim, ontwikkelingsachterstanden en onzekerheden in de relatie met hun ouders. Deze ervaringen worden in de praktijk bevestigd. Jonge kinderen worden overweldigd als ze het gewenningsproces zonder steun van hun ouders moeten doorstaan. De “Berliner Eingewöhnungsmodell” aanpak maakt het mogelijk om deze vaak eerste overgang in het leven - het wennen in de “Kindergarten” - positief te ervaren. Alleen door deze ervaring kan de basis worden gelegd voor het succesvol omgaan met alle verdere overgangen in het leven met positieve gevoelens. Een nieuwe levensfase begint voor de kinderen wanneer ze naar onze “Kindergarten” gaan. Dit betekent een verandering van vertrouwde mensen en een aanvankelijk onbekende nieuwe omgeving met een andere dagelijkse routine. Er zijn veel nieuwe indrukken die een kind moet verwerken. Tijdens de inwenningsperiode bouwt het kind vertrouwen en een nieuwe relatie op met de voorheen onbekende pedagogisch medewerker (mentor van het kind) en leert het langzaam de omgeving kennen. Om deze overgang succesvol te laten verlopen, heeft het kind de steun van een vertrouwd persoon zoals de ouders nodig. Het doel van een succesvol inwenningsperiode moet zijn om samen met de ouders het kind vertrouwd te laten raken met de nieuwe omgeving en een relatie op te bouwen met de pedagogisch medewerker. Pas als het kind de pedagogisch medewerker ervaart en accepteert als een ander vertrouwd persoon, kunnen we spreken van een succesvolle inwenning. Daarom hechten we veel waarde aan dit zachte en langzame gewenningsproces in de “Kindergarten”. Fasen van gewenning/ praktische uitvoering: De pedagogisch medewerker heeft al informatie van de ouders ontvangen over de huidige interesses en behoeften van het kind (vragenlijst) voordat het kind voor het eerst naar de “Kindergarten” komt. Hierdoor kan de pedagogisch medewerker gerichter spelmateriaal aanbieden tijdens het inwenningsproces en beter reageren op het kind in het algemeen. • Wenperiode 1e - 3e dag/ basisfase Een ouder of een andere voor het kind bekende persoon komt met het kind naar de “Kindergarten”, blijft samen ongeveer 1 uur in de ruimtes en neemt het kind daarna weer mee naar huis. De pedagogisch medewerker is voortdurend in gesprek met de ouders van het kind over hoe het met het kind gaat in de betreffende fase. Tijdens de eerste drie dagen wordt er geen poging gedaan om het kind te scheiden. De pedagogisch medewerker geeft veel aandacht aan het kind tijdens de gewenningsfase. • Wennen 4e - 5e dag Het kind heeft in de voorgaande dagen contact gemaakt met de pedagogisch medewerker. Nu kunnen de eerste korte separatiefasen starten - altijd in overleg met de ouders van het kind. De ouder blijft in de buurt - uit het directe zicht (bijvoorbeeld op de gang). • Inwerken 6e dag - ongeveer 10e dag Stabilisatiefase De scheidingsfasen worden verlengd - de ouder verlaat nu ook het gebouw. Enkele minuten na aankomst in de “Kindergarten” neemt de verzorger afscheid van het kind. De duur van het verblijf varieert, maar is beperkt tot maximaal 13.00 uur. Er kan contact worden opgenomen met de ouders. Als het kind laat zien dat het nog niet klaar is voor deze stap, wordt de basisfase opnieuw gestart. • Laatste gewenningsfase Het welzijn van het kind heeft de hoogste prioriteit - als het inwenningsproces tot dit punt succesvol is verlopen, worden de tijden verlengd. Totdat het kind volledig aanwezig is. Het kind is gesetteld. • Eerste oudergesprek na het inwenningsproces Vier tot zes weken na het wennen, reflecteert de pedagogisch medewerker over de eerste tijd van het kind in de “Kindergarten” en bespreekt deze met de ouders. De basisregel is: • Neem, indien mogelijk, slechts één nieuwe stap per dag • De volgende stap wordt pas gezet als de vorige is geaccepteerd • Elke volgende dag/elke volgende stap wordt altijd opnieuw samen besproken • Het inwenningsproces duurt maximaal drie weken. Als het kind in de eerste week ziek wordt, wordt de wenperiode verlengd met de duur van de ziekte • Rol van de ouders (vertrouwd persoon): de ouders gedragen zich passief ten opzichte van het kind • De ouder accepteert het als het kind dicht bij hem/haar wil zijn • De ouder neemt geen initiatief om het kind bezig te houden • Het kind heeft altijd de onverdeelde aandacht van zijn ouders nodig • We vragen de ouders om geduld te hebben. Elk kind heeft zijn eigen tempo. De tijd die we nu investeren helpt het kind om een positieve overgang te ervaren, waardoor ook latere overgangen, bijvoorbeeld naar school succesvol verlopen. Ons gewenningsproces geeft zowel de kinderen als de ouders de kans om de dagelijkse routine in de “Kindergarten” voldoende te leren kennen om zich op hun gemak te voelen. Wij geloven dat de ontwikkeling van een positieve band tussen ouders en pedagogisch medewerkers een fundamentele rol speelt in het succesvolle inwenningsproces. Verder laten we kinderen vanaf de leeftijd van 2,5 jaar toe, omdat we van mening zijn dat ons open deuren beleid voor jongere kinderen alleen in individuele gevallen kan worden gerealiseerd. Omdat we onze “Kindergarten” aanbieden naar de manier waarop het in Duitsland werkt, worden alle kinderen vijf dagen per week aangemeld. Dit geeft de kinderen een sterk groepsgevoel, omdat de groep elke dag uit dezelfde kinderen bestaat. Onze pedagogisch medewerkers werken ook van maandag tot en met vrijdag, wat betekent dat de kinderen in een groep elke dag dezelfde pedagogisch medewerkers hebben. Zoals beschreven in het beleid zijn er vaste momenten op de dag dat het kind in de stamgroep is (bijvoorbeeld tijdens de ochtendkring, tijdens het eetmoment, tijdens festiviteiten) en is er altijd een pedagogisch mentor in de groepsruimte van de kinderen. Werken met een open deuren beleid betekent niet dat er geen regels zijn. Integendeel, alle regels moeten zorgvuldig met de kinderen worden besproken. Samenvattend zien we het open deuren beleid als een manier van werken met kinderen die veel voordelen heeft als het zorgvuldig wordt geïmplementeerd en goed wordt gepland vanuit pedagogisch oogpunt. De kinderen kunnen in kleinere groepen in de ruimtes verblijven. In hun ontwikkeling hebben ze de mogelijkheid om zich volledig te concentreren op hetgeen wat hen bezig houdt qua spel. Door het creëren van kleine groepen is ongestoord spelen en leren gegarandeerd. De kinderen hebben de mogelijkheid om de wereld vrij te ontdekken.